Factoren die ICT integratie in het onderwijs beïnvloeden

Kennisnet heeft onlangs een nieuw (concept) kader geïntroduceerd over de gewenste ICT-bekwaamheid van docenten. In dit kader wordt gesproken over de 21st century skills waarop leerlingen moeten worden voorbereid om in de huidige kennismaatschappij te kunnen functioneren. Onder deze skills worden niet alleen ICT-geletterdheid en mediawijsheid verstaan maar ook creativiteit, samenwerking, probleemoplossend handelen en kritisch denken vormen de basis voor de toekomstige mens.

Ondanks de voordelen van het gebruik van ICT voor het leren van leerlingen en voor de verwerving van vaardigheden van belang in de kennismaatschappij, zijn relatief weinig docenten in staat om goed gebruik te maken van de potentie van ICT in hun lespraktijk (o.a. ten Brummelhuis & Van Amerongen, 2011; Voogt, 2008).

Hierover kwam ik laatst een mooi artikel tegen van Charles Buabeng-Andoh: “Factors influencing teachers’ adoption and integration of information and communication technology into teaching: A review of the literature”. Voor dit artikel is een literatuurstudie uitgevoerd over de factoren die ICT inegratie in het onderwijs belemmeren. Buabeng-Andoh stelt dat bij ICT-integratie verschillende factoren van belang zijn:

  • Inhoud,
  • Didactiek
  • ICT

Hierbij mis ik zelf de “context” die Koehler & Mishra (2008) ook vermelden in het conceptueel kader Technological Pedagogical Content Knowledge (TPACK). Zij geven met dit raamwerk aan dat de integratie van vakinhoudelijke -, didactische – en ICT competenties nodig zijn om ICT succesvol in het onderwijs te kunnen integreren, zodat de leereffecten bij leerlingen toenemen.

Buabeng-Andoh noemt drie factoren die de integratie van ICT kunnen beïnvloeden:

  • Persoonlijke factoren
  • Factoren van de school
  • Technische factoren

Dit sluit aan bij wat Christensen & Knezek (2008) in hun onderzoekstellen, namelijk dat Will (attitude), Skill (kennis en vaardigheden) en Tool (toegang tot ICT) tezamen het niveau van ICT integratie voorspellen.

Buabeng- Andoh stelt verder in zijn artikel dat de professionele ontwikkeling van docenten een grote rol speelt bij het succesvol integreren van ICT:

Teachers’ professional development is a key factor to successful integration of computers into classroom teaching. ICT-related training programs develop teachers’ competences in computer use, influencing teachers’ attitudes towards computers and assisting teachers reorganize the task of technology and how new technology tools are significant in student learning”. 

Hij gaat verder niet in hoe deze professionele ontwikkeling van docenten vorm gegeven kan worden. En dat blijkt nu juist van belang te zijn. Als docenten een negatieve attitude en ervaring hebben tegenover het gebruik van ICT in de klas, zullen zij het nut niet inzien zich te ontwikkelen in het gebruik van ICT in de klas. Daarom stellen Christensen & Knezek (2008) dat de ondersteuning aan docenten moet worden afgestemd op het niveau van ICT integratie en pleiten zij voor maatwerktrajecten. Docenten die beginnen met ICT integratie kunnen ondersteund worden door een zogenaamde e-buddy, een persoonlijk begeleider (de Boer, 2004), terwijl docenten die meer gevorderd zijn in ICT integratie actief bij het ontwerp van ICT-rijke activiteiten voor hun lespraktijk worden betrokken via het gezamenlijk ontwerpen in docentontwerpteams (o.a. Handelzalts, 2009; Voogt et al., 2011).

Geraadpleegde literatuur:

Boer, W. de (2004). Flexibility support for a changing university. Doctoral thesis. Enschede, The Netherlands: University of Twente.

Brummelhuis, A. ten, Amerongen, A. van (2011). Vier in Balans Monitor 2011. Stichting Kennisnet., Den Haag: Zijlstra drukwerk.

Handelzalts, A. (2009). Collaborative curriculum development in teacher design teams. Doctoral Thesis, University of Twente, Enschede.

Knezek, G. A. & Christensen, R. (2008). The importance of information technology attitudes and competencies in primary and secondary education. In J. Voogt & G. Knezek (Eds.), International handbook of information technology in primary and secondary education (pp. 349-365). New York: Springer. 10.1007/978-0-387-73315-9_19

Koehler, M. & Mishra, P. (2008). Introducing TPCK. In AACTE Committee on Innovation and Technology (Eds.). Handbook of technological pedagogical content knowledge (TPCK) for educators (pp. 3-29). New York: Routledge.

Reus, de M., & Vonk, A. (2012). ICT Bekwaamheid van Leraren. Discussienota. Kennisnet.

Voogt, J. (2008). IT and curriculum processes: Dilemmas and challenges. In J. Voogt, & G. Knezek (Eds.), International handbook of information technology in primary and secondary education (117-132). New York: Springer.

Voogt, J. & Knezek, G. (2008). IT in primary and secondary education: emerging issues. In J. Voogt, & G. Knezek (Eds.), International handbook of information technology in primary and secondary education (pp. xxi- xxlii). New York: Springer.

Technieken om beter les te geven

Dankzij Wilfred Rubens, kwam ik een tijdje geleden een artikel tegen van Netwijs edublog. Dit artikel gaat erover hoe je techniek (ICT) kunt inzetten om beter les te geven. Er worden hier 5 technieken beschreven uit het boek “Teach like a champion a champion” door: Doug Lemov. Eén van de technieken is het inzetten van stemkastjes, om op deze manier de hele klas te betrekken bij een vraag. De docent kan nu goed zien wie nog niet heeft geantwoord, maar ook wie de lesstof begrijpt en wie nog niet.

Nu heeft natuurlijk lang niet iedereen beschikking over stemkastjes en kost het nogal wat werk dit voor te bereiden. Ik gebruik zelf graag het programmaatje “Testmoz” voor dit soort gevallen. Met dit programma kan op een eenvoudige manier (zonder een account aan te maken) één of meerdere vragen worden gesteld aan de hele klas. De website “Onderwijs van morgen” heeft hier een mooie handleiding van gemaakt. In het beheerdersgedeelte kan de docent de resultaten zien. Testmoz kan met elke OS bereikt worden, dus geen laptops? Laat de leerlingen meedoen met hun smartphone!

Professionaliseren van docenten

De afgelopen jaren is er veel politieke en maatschappelijke discussie over de kwaliteit in het onderwijs. Professionele ontwikkeling van docenten wordt hierbij als één van de essentiële middelen gezien om de kwaliteit en het imago van het onderwijs te verhogen. In de nota “Werken in het onderwijs 2012” van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) wordt gesproken over het versterken van de kwaliteit van de docenten en schoolleiders, door meer aandacht te besteden aan de verdere professionalisering van docenten en schoolleiders ten einde de resultaten van leerlingen te verbeteren (OCW, 2011).

Volgens de Zelf-Determinatie Theorie van Deci en Ryan (2002) bezitten mensen een aangeboren kracht om te ontwikkelen en te ontplooien. Zij gaan er hier van uit dat elk mens leert, zowel privé als in het professionele leven. Het leren gaat veelal impliciet en vaak heeft men er niet eens erg in dat er geleerd wordt. Simons en Ruijters (2001) gaan ervan uit dat docenten altijd impliciet leren in hun onderwijspraktijk. Door middel van collectieve leerprocessen, waar men op kritische wijze het eigen handelen en de impliciete mentale modellen over leren en helpen leren, onderzoeken en bijstellen, kan het professionaliseren van docenten bevorderd worden (Verbiest et al., 2005).

Van Veen et al. (2010) hebben in verschillende onderzoeken twee manieren van professionaliseren gevonden: traditioneel versus vernieuwend. Traditioneel professionaliseren kenmerkt zich doordat het gericht is op individuele kennis en vaardigheden, buiten de werkplek plaatsvindt en éénmalige of kortlopende activiteiten betreft waarin docenten passieve deelnemers zijn. Daarentegen is het vernieuwend professionaliseren gericht op het leren van leerlingen en specifieke problemen van docenten en leeractiviteiten op de werkplek zijn.  Het gaat om langdurige en blijvende activiteiten waarin docenten een actief lerende rol vervullen, waarbij de context bepalend is voor de inhoud van de activiteit.

Geijsel et al. (2006) gaan, in hun onderzoek naar de effecten op professioneel leren, uit van het feit dat er drie soorten individuele activiteiten kunnen worden onderscheiden die docenten kunnen uitvoeren op hun werk met het opzettelijke doel van leren: lezen, experimenteren, reflecteren. Dit leren kan gefaciliteerd worden door krachtige leeromgevingen te creëren waar dit leren plaats kan vinden. Wilfred Rubens schreef juist vandaag een mooi blog over het gezamelijk reflecteren d.m.v. een video om op deze manier het professionaliseren van docenten te bevorderen. In zijn blog gaat hij in op het paper A Collaborative Learning Model to Empower Teachers to be Reflective Practitioners van de Canadese onderzoekers Ron Tinsley en Kimberley Lebak. Deze gaan ervan uit dat zelfreflectie zijn beperkingen heeft en dat reflectie meer effect heeft als er gereflecteerd wordt met “peers”. In zijn conclusie over het paper van Tinsley en Kimberley, schrijft Wilfred Rubens, dat de manier waarop de reflectie met peers vormgegeven wordt, meer op het bespreken en het aan de theorie verbinden van een casus is. Volgens hem is het beter tijdens deze peer bijeenkomsten ook de reflectiecyclus van Fred Korthagen te gebruiken. Bij de reflectiecyclus van Korthagen wordt handelen, terugblikken, bewust worden van essentiële aspecten, het ontwikkelen van alternatieven (en daar keuzes uitmaken) en uitproberen onderscheiden.

Van Veen et al. (2010) noemen hier ook professionele leergemeenschappen, waarbij de nadruk ligt op een gezamenlijke verantwoordelijkheid van docenten voor het leren van hun leerlingen, visie op lesgeven en professionele ontwikkeling. Belangrijk daarbij is het leren niet te (her)organiseren, maar wel het werk zelf. Uit verschillende onderzoeken is namelijk gebleken dat de traditionele, formele trainingen weinig resultaat boeken op de werkvloer (McGuire & Gubbins, 2010; Van Veen et al., 2010). In het onderzoek naar effectieve interventies van de professionele ontwikkeling van docenten zouden de volgende kenmerken van belang zijn (Van Veen et al. 2010):

  1. De professionaliseringsinterventie heeft betrekking op de dagelijkse lespraktijk, gericht op de vakinhoud, vakdidactiek en het leerproces van de leerlingen.
  2. Docenten lijken een voorkeur te hebben dat de professionaliseringsinterventie op de werkvloer plaats vinden. Er is echter nog geen empirisch bewijs gevonden dat dit de meest effectieve vorm is.
  3. De professionaliseringsinterventie moet op actief en onderzoekend leren gericht zijn.
  4. De nadruk ligt op het samen met collega’s leren.
  5. De professionaliseringsinterventie heeft substantieel tijd nodig.
  6. De professionaliseringsinterventie moet samenhangen met het schoolbeleid.

Bij al deze kenmerken is het van belang dat de interventie functioneel moet zijn voor het bevorderen van het leerproces van de docenten, dus het lezen, experimenteren en reflecteren. Daarnaast zijn er schoolorganisatorische randvoorwaarden die een professionaliseringstraject kunnen bevorderen of belemmeren. Hieronder verstaan Van Veen et al. (2010) bijvoorbeeld leiderschap, tijd, creëren van een professionele leergemeenschap en een cultuur om te leren.

Mijn eerste bericht

Ik heb lang zitten dubben waarom ik nu een blog zou moeten bijhouden. Voor wie zou dat interessant zijn? Wat zou ik er in moeten schrijven? Toch kom ik steeds meer interessante artikelen, apps, ict programma’s tegen die ik voor mij zelf wil categoriseren, maar ook graag wil delen met andere docenten. Ook houd ik al een tijdje een blog bij over het hele traject dat ik volg om een promotiebeurs bij het NWO aan te vragen. Laatst zei een collega tegen mij: “waarom maak je dit niet publiek, er zijn zoveel docenten die denken dat dit niet is weggelegd voor hen.” Dit terwijl juist elke docent die het leuk vindt onderzoek te doen en meer wil weten over bepaalde zaken in het onderwijs, een mogelijkheid heeft dit traject te gaan volgen. Ik ben ook geen “nerd”, maar door het volgen van de master “leren en Innoveren, ben ik in aanraking gekomen met onderzoek doen (ontwerpgericht) en heb gemerkt dat de wetenschapswereld en de praktijk nog enorm ver uit elkaar staan, dit terwijl wij elkaar nodig hebben. Ik hoop door dit blog mijn steentje bij te dragen dit gat te dichten of in ieder geval te verkleinen.